NEDERLANDSE BANDY FEDERATIE

Spelregels voor Rinkbandy 1980

Art. 1
Veld.
De lengte van het veld is min. 45, max 61 meter, de breedte min 26,max. 30 meter.
Het midden van het veld wordt door een middenlijn aangegeven. Het veld behoort omgeven te worden door een Boarding,
waarvan de min. hoogte 15 cm. en de max. hoogte 122 cm. is.
Het strafgebied is de halve baan. De markering voor de strafslag is op 8 meter vanaf het doel in de richting van de middenlijn.
De hoogte van het doel is 122 cm. de breedte is 183 cm. de diepte 60-100 cm. Er moeten netten in aanwezig zijn. De doelen zijn zodanig geplaatst dat zij met de voorste palen op de achterlijn van het veld staan. De achterlijn moet min. 3,50 m. en max. 4,50 meter verwijderd zijn van de korte zijde van de boarding.

Art. 2
Bal.
De bal moet zijn gemaakt van plastic of ander goedgekeurd materiaal en van een goedgekeurd merk zijn.
De veerkracht moet overal gelijk zijn. Als men de bal van 1,50 meter op het ijs laat vallen,
dan moet de veerkracht min. 15cm. en max. 30 cm. zijn. De diameter moet 6 cm. zijn.
Het gewicht van de bal moet in ongebruikte toestand min. 58 en max. 62 gram zijn.

Stick.
De stick moet van een goedgekeurd merk zijn. Dezemoet van hout of een gelijkwaardig materiaal zijn gemaakt en niet metaal beslagen.
De breedte van de stick mag omwikkeld met materiaal niet meer dan 6,5 cm. bedragen. Deze moet door een ring getrokken kunnen worden met een diameter van 6,5 cm. binnenwerks. De lengte van de buitenkant van de stick, de krul meegerekend, mag niet meer dan 1,20 m. bedragen. de hoeken en de krul moeten afgerond zijn.

Schaatsen.
Alle spelers dienen schaatsen aan te hebben. Deze schaatsen mogen niet van gekerteld of puntig materiaal voorzien zijn dat gevaarlijk kan zijn voor de medespelers. Op de achterkant van de schaats moet een beschermdop van plastic of een dergelijk materiaal bevestigd zijn.

Helm.
Alle spelers dienen een helm te dragen met een mondbeschermer van een goed merk.
De scheidsrechters zijn ook verplicht een helm te dragen.

Gezichtsmasker.
Een gezichtsmasker is verplicht voor de goalkeeper, voor de spelers is het toegestaan, doch niet verplicht.
Controle voor de wedstrijd.
De scheidsrechter is verplicht voor de wedstrijd te controleren of de ballen volgens de gestelde eisen in orde zijn.
Metaalbeslag, schroeven en dergelijke dingen zijn aan de sticks niet toegestaan. Het is de plicht van de scheidsrechter voor de wedstrijd te controleren of de sticks in orde zijn. Hij moet speciaal de stick op de breedte controleren.
Mocht een speler toch tijdens de wedstrijd een onreglementaire stick gebruiken, dan wordt hij voor 5 minuten van het veld verwijderd.
De organisatoren zijn verantwoordelijk voor het rewserve materiaal aan ballen.

Art. 3
Aantal spelers.
Elk team bestaat uit maximaal 13 spelers, waarvan één keeper is.
Een team mag niet spelen met meer dan 6 spelers. Uit het team van 6 spelers mag een onbeperkt aantal met een maximum van 6 spelers en een onbepaalde tijdsduur, uit de 7 reservespelers gewisseld worden. Een wisselspeler mag slechts het veld betreden als de te vervangen speler het veld verlaten heeft. Het wisselen van spelers mag slechts op één plaats gebeuren. Deze plaats is het midden van het veld.

Er moet altijd een keeper in de goal staan.
Overtreding wordt bestraft met het verwijderen van de speler van het veld voor 3 minuten. en een vrije slag voor de tegenpartij. Bij herhaling van deze overtreding door dezelfde speler wordt deze duurzaam van het veld verwijderd. Een speler die door toedoenvan de scheidsrechter het veld heeft verlaten en niet door een wisselspeler vervangen mag worden, mag op het teken van de official het veld weer betreden zonder dat de wedstrijd behoeft te worden stil gelegd. Het minimum aantal spelers dat aanwezig moet zijn op het veld is 1 keeper en 3 spelers.
De samenstelling van het team (13 sp. max) moet vóór de wedstrijd aan de scheidsrechter c.q. official worden voorgelegd.
De captain moet een aanvoerdersband dragen. Hij mag een assistent aanwijzen, die een A-band draagt. Deze treedt op als de captain, wanneer voornoemde captain niet op het veld is.

Art. 4
Wedstrijdduur.
De wedstrijd heeft een duur van 2 x 25 minuten en een pauze van 5 minuten tussen de twee speelhelften.
Bij tijdsnood wordt in de eerste plaats de pauze ingekort, daarna pas de speeltijd.
Afslag.
Op het teken van de scheidsrechter begint het spel met een afslag in de richting van het doel van de tegenpartij. De bal is slechts dan in spel wanneer hij meer dan 20 cm. heeft afgelegd. De spelers mogen slechts dan elkaars veld betreden, als de bal gespeeld is.
De tegenstanders mogen niet dichter dan 5 meter bij de bal staan. Is de afslag foutief gebeurd, dan moet deze opnieuw worden genomen.
De speler die uitslaat mag de bal niet opnieuw aanraken voordat deze door een andere speler is aangeraakt.
Winnaar.
Het winnende team is dat team dat de bal het minst aantal keren in eigen doel heeft gehad. Indien een gelijk aantal doelpunten of in het geheel geen doelpunt is gemaakt, dan is de wedstrijd onbeslist geëindigd.
Afkeuren en onderbreken van het spel.
Indien het veld onbespeelbaar wordt of het te donker wordt om verder te spelen mogelijk te maken, heeft de scheidsrechter het recht de wedstrijd te staken, te onderbreken of uit te stellen.
Indien de wedstrijd onderbroken is, dan dient deze weer te beginnen op de plek waar hij is afgebroken, met een bully.
Bij de bully staan 2 spelers tegenover elkaar, met de rug naar het eigen doel.
De Sticks worden Parallel op het ijs geplaatst aan weerszijden van de bal, welke niet aangeraakt mogen worden voordat de scheidsrechtereen fluitsignaal geeft. De overige spelers mogen niet dichter bij de bal staan dan 5 meter.
De bully mag niet dichter dan 1 meter van de boarding, 5 meter uit het doel, of achter de doellijn worden genomen.

Art. 5
Rechten van de spelers.

Een speler mag niet zonder stick aan het spel deelnemen. Hij/zij mag ook niet met een gebroken stick of een deel van een stick spelen.
De stukken dient de scheidsrechter naar de boarding te brengen. Het is niet geoorloofd een nieuwe stick naar de speler toe te gooien.
Gebeurt dit toch, dan moet één van de spelers voor 5 minuten naar de strafbank en krijgt de tegenpartij een vrije slag.
De official die de stick gooit, wordt gewaarschuwd en gerapporteerd.
Opspringen van het ijs is alleen toegestaan om een andere speler te ontwijken.
Het is verboden zich opzettelijk op het ijs te gooienteneinde een bal te stoppen of een tegenstander te hinderen. Een speler die ligt op het ijs is buiten spel en mag zijn stick niet gebruiken.
De keeper heeft het recht zich op het ijs te gooien om de bal te stoppen.

Art. 6
Het spelen met de bal.

Het is toegestaan de stick tot op schouderhoogte op te lichten of mee te nemen waarbij men de bal mag slaan, stoppen, richting geven of meenemen. Men mag de bal meenemen met de schaats of stoppen of duwen zolang men de bal naar de eigen stick of over het ijs naar de stick van een medespeler beweegt. Met de schaats wordt ook de schoen van de schaats bedoeld.
Het is toegestaan de bal te bewegen met het eigen lichaam als men met beide benen op het ijs staat, met uitzondering van hand, arm en hoofd.
Dit wordt bestraft met een vrije slag voor de tegenpartij.
Bij een vrije slag mag de stick hoger dan schouderhoogte worden geheven.
Het is verboden de bal met de hand te stoppen.
In duels op korte afstand zijn alle gevaarlijke slagen ten strengste verboden.

Art. 7
Spelen ten opzichte van de tegenstander.

Het is verboden te schoppen, beentje te lichten, duwen of met de hand of stick de tegenstander te slaan, grijpen of hinderen.
Het is verboden de stick over het ijs te gooien om de bal of een tegenstander te stoppen. Het is eveneens verboden de stick van de tegenstander met opzet te slaan, vast te houden, te lichten, weg te drukken enzovoorts, of hem op enige wijze te hinderen zijn stick te gebruiken.
Anderzijds is het toegestaan een speler die aan de bal is weg te drukken, evenals een speler die direct bij het duel betrokken is.
Andere spelers mogen niet gehinderd worden.
Binnen de doelcirkel mag de keeper niet aangevallen worden.
De spelers van de aanvallende partij mogen slechts dan de cirkel betreden, wanneer de bal er al binnen is. Bij over tredeing van deze regel wordt er een vrije slag gegeven;
Bij zware overtreding wordt de speler voor 5 minuten het veld uitgestuurd.
Verwijdering van een speler moet ook gebeuren wanneer deze met zijn stick naar de tegenstander gooit of hem op gewelddadige of gevaarlijke manier aanvalt. De straf hiervoor is min. 5 minuten.

Art. 8
Doelpunt.

Het doelpunt is goedgekeurd als de bal op een juiste manier in zijn totaliteit over de doellijn is gespeeld, en wel tussen de palen en doellat.
Het doelpunt wordt afgekeurd wanneer de bal met opzet over de doellijn wordt gewerkt met de schaats of het lichaam.
De scheidsrechter heeft het recht een doelpunt goed te keuren, wanneer het doel verplaatst is en de bal volgens zijn mening op de juiste plaats de achterlijn en doelpalen en lat gepasseerd zou zijn als het doel was blijven staan. Heeft een verdediger met opzet het doel verplaatst, dan wordt er een strafslag (penalty) gegeven en/of de speler wordt voor 5 minuten uit het veld verwijderd.
Als het spel is onderbroken om het doel weer op de juiste plaats te zetten, dan wordt het spel weer hervat middels een bully of afslag.
Een doelpunt mag niet gemaakt worden vanuit een afslag of een uitworp van de keeper. Een doelpunt mag direct gemaakt worden vanuit een strafslag of een vrije slag.
Als een doelpunt is gemaakt dan volgt een afslag op een middellijn door de partij tegen wie het doelpunt is gemaakt.

Art. 9
Inslag.

Wordt de bal over de boarding geslagen, dan krijgt de tegenpartij een inslag. Gaat de bal over de boarding aan de korte zijde dan mag de inslag niet dichter bij het doel genomen worden dan 5 meter.
Doelslagen en corners komen niet voor. De bal is nog steeds in het spel als deze terugkaatst van de doellat of doelpaal. deze regel geldt ook als de bal de scheidsrechter aanraakt. Komt de bal tegen het veiligheidsnet achter het doel en kaatst hij weer terug in het veld, dan blijft hij eveneens in het spel. Voorts mag de bal niet boven de verlichting worden geslagen. gebeurt dit toch, dan krijgt de tegenpartij een vrije slag.

Art. 10
Buitenspel.

Buitenspel-regels bestaan niet.

Art. 11
Keeper.

Binnen zijn/haar eigen speelhelft mag de keeper zijn schaatsen of elk deel van zijn/haar lichaam gebruiken om de bal te stoppen,
te gooien of te schoppen. Hij/zij mag zich niet meer dan 5 meter met de bal verplaatsen. Hij/Zij moet binnen 5 seconden de bal weer afspelen.
Hij/zij mag zich niet met de schaatsen vooruit op het ijs gooien. Bij overtreding volgt een strafslag voor de tegenpartij.
De keeper gebruikt geen stick.
Als de keeper de bal uitgooit moet deze eerst het ijs, de boarding of een speler raken voordat deze de middellijn passeert. Zo niet, dan wordt een vrije slag aan de tegenpartij gegeven.
De keepersuitrusting zal alleen dienen tot bescherming van zijn/haar lichaam en mag geen delen bevatten die ten doel hebben het doel af te schermen. Het tenue moet te onderscheiden zijn van dat van de andere spelers. Gezichtsmasker en borstbescherming zijn verplicht.

Art. 12
Vrije slag.

Vanuit een vrije slag, genomen op de plaats waar de overtreding is begaan, mag de bal direct op het doel worden geslagen. De tegenstanders mogen niet dichter bij de bal zijn dan 5 meter. De bal moet minimaal 8 meter van het doel liggen voordat hij wordt geslagen.
De speler die de vrije slag neemt mag de bal niet voor de 2de maal spelen voordat een andere speler hem heeft aangeraakt. De scheidsrechter moet een vrije slag niet onnodig ophouden. Bij een onderbreking is 2x fluiten het signaal dat het spel onmiddellijk opnieuw kan beginnen.
Bij een vrije slag mag de stick hoger dan de schouder worden geheven.

Art. 13
Strafslag.

Een strafslag wordt gegeven bij een op de helft van de verdediging door verdedigers met opzet gemaakte overtreding:

A. als een speler een tegenstander op een gevaarlijke of gewelddadige manier aanvalt.
B. Als een speler een scoringskans door;
1. het stoppen van de bal met de stick boven schouderhoogte.
2. slaan, hakken, neerdrukken of schoppen tegen de stick van de tegenstander.
3. het gooien van de stick naar de bal of tegenstander.
4. zich met opzet op het ijs te gooien teneinde de bal te stoppen of een speler te hinderen.
5. de bal met opgehev
en schaats te stoppen.
Commentaar:

Om een overtreding te kunnen bestraffen met een strafslag moet de bal zich op dat moment in de spelsituatie bevinden. In alle andere gevallen volgt een vrije slag.

Wanneer een speler een overtreding begaat volgens B, 1-5, en er is geen scoringskans aanwezig, dan wordt de overtreding bestraft met een vrije slag,

Als op het moment dat de overtreding is begaan de bal uit het spel is, zal de scheidsrechter de in overtreding zijnde speler waarschuwen of hem bevelen het ijs te verlaten.

Voorkomt een speler een doelrijpe kans van de tegenpartij door in de eigen speelhelft met een stick te gooien, dan wordt dit bestraft met een strafslag. Tracht hij een situatie te redden vanuit de eigen speelhelft de stick naar de andere speelhelft te gooien, dan wordt dit bestraft met een vrije worp.

Mocht een speler in zijn eigen helft aan het spel deelnemen zonder een stick, dan wordt geen strafslag gegeven,
doch slechts een vrije slag (zie art. 5.)

Voorkomt een speler een doelrijpe kans voor zijn eigen doel door de bal verder dan zijn eigen stick of die van een medespeler te schoppen, dan wordt er geen strafslag gegeven maar een vrije slag.

Als een verdediger (uitgezonderd de keeper) in het doel staat en een bal met zijn arm stopt,
terwijl hij het doel vasthoud, wordt een strafslag gegeven.

Art. 14
Het nemen van de strafslag.

Wanneer de strafslag wordt genomen vanaf het punt van de strafslag (8 meter van de goal), dan moeten, uitgezonderd de keeper en de speler die de strafslag gaat nemen, alle spelers zich achter de middellijn bevinden en daar blijven tot de strafslag is genomen.
De keeper moet op de doellijn staan. De bal moet voorwaarts worden gespeeld. De strafslag mag direct op het doel worden genomen.
|Degene die de strafslag speelt, mag de bal pas weer spelen nadat die door een andere speler is aangeraakt. Een overtreding hiertegen wordt bestraft met een vrije slag. Bij een strafslag wordt de tijd stopgezet.
De bal mag niet op een verhoging op het ijs worden gelegd.
Maakt bij een strafslag een speler van de aanvallende partij een overtreding dan wordt de strafslag opnieuw genomen als er een doelpunt uit voortgekomen is. werd er geen doelpunt gemaakt, dan wordt de strafslag als afgehandeld beschouwd.
Begaat de verdedigende partij een overtreding, dan wordt bij een doelpunt de strafslag als afgehandeld beschouwd en het doelpunt toegekend. Wordt er niet gescoord, dan wordt de strafslag opnieuw genomen.
Bij herhaling van deze overtredingen kunnen spelers uit het veld worden gestuurd.
Raakt de bal de boarding, de doelpalen of de lat en kaatst hij terug in het veld, dan mag de speler die de strafslag nam de bal niet eerder aanraken voordat een andere speler de bal gespeeld heeft. Kaatst de bal terug van de keeper, dan mag dezelfde speler de bal wel opnieuw op het doel slaan.
Valt de strafslag in de tijd dat de wedstrijd ten einde loopt, dan gaat de strafslag toch door.

Art. 15
Het verwijderen van een speler.

De scheidsrechter zal een speler die zich niet gedraagt volgens de regels, bevelen het speelveld te verlaten voor de rest van de wedstrijd of voor een korte tijd: 3 of 5 minuten effectieve speeltijd, overeenkomstig het volgende:
3 minuten uitsluiting:
A. bij onbeheerst slaan met de stick op de stick van de tegenstander.
B. door een tegenstander herhaaldelijk aan te vallen op een ontoelaatbare wijze (niet krachtdadig of gevaarlijk).
C. bij overtreding van de regels van het spel.
(voorbeelden: bal wegslaan of weg nemen nadat een vrije slag is toegekend.
Bevel van de scheidsrechter negeren om 5 meter van de bal af te gaan staan. e.d.)
5 minuten uitsluiting:
A. bij gewelddadig of gevaarlijk aanvallen van de tegenstander.
( Voorbeeld: botsing, been of knie vasthouden, al of niet met stick, slaan op de schaatsen, e.d.)
B. bij protesteren tegen beslissingen of maatregelen van de scheidsrechter.
C. bij het met opzet gooien van de stick naar de bal of de tegenstander.
D. bij wangedrag jegens een speler, leider of bezoekers.
E. bij het ten tweede male begaan van een overtreding met 3 minuten uitsluiting
Uitsluiting voor de rest van de wedstrijd:
A. bij aanvallen van de tegenstander op een gewelddadige of gevaarlijke manier,
bijv. door middel van slagen of schoppen op de handen, armen of het lichaam.
B. bij belediging of schelden van de scheidsrechter, andere officials, spelers, leiders of toeschouwers.
C. bij ten derde male begaan van overtredingen waarvoor de 3 of 5 minuten straf reeds is toegepast.

Een speler mag na zijn straftijd niet het veld op zonder toestemming van de official.
Het gezag van de scheidsrechter geldt ook gedurende de pauze.
Als persoonlijke straf kan een straftijd van 10 minuten worden toegewezen.

De straftijd van een verwijderde speler gaat pas in wanneer de scheidsrechter door een fluitsignaal de wedstrijd heeft hervat.
Ook wanneer een doelpunt gemaakt wordt, zit de speler zijn straftijd gewoon uit.
Commentaar:
1. Als de scheidsrechter bij een overtreding van de regels de "eigen voordeel" regel toepast in verband met een overtreding die een uitsluiting ten gevolge heeft, zal hij een arm rechtop steken en naar de speler wijzen die het veld moet verlaten.
Als de overtredende partij de bal heeft veroverd, moet de scheidsrechter het spel onmiddellijk stop leggen en de speler bevelen het ijs te verlaten, waarna het spel wordt voortgezet door middel van een bully.
2. De scheidsrechter bepaalt de tijd van uitsluiting en dient dit te controleren. Indien bij wedstrijden een wedstrijdsecretaris optreedt, is deze secretaris verantwoordelijk voor het toezicht op de verwijderde spelr en de tijd van verwijdering. De scheidsrechter moet de wedstrijdsecretaris de lengte van de tijd van de verwijdering meedelen. De speler mag het veld weer betreden na toestemming verkregen te hebben van de scheidsrechter ( zie boven). Indien de secretaris optreedt geeft deze toestemming.
3. Een speler die voor de rest van de wedstrijd verwijderd is, moet naar de kleedkamer toe. Mag na verkleden wel als publiek aanwezig zijn.
4. De scheidsrechter moet de speler die voor de rest van de wedstrijd verwijderd is, rapporteren aan de wedstrijdcommissie.
5. In het geval dat meer dan 2 spelers van hetzelfde team van het ijs verwijderd worden, mag de derde of meerdere spelers door anderen worden vervangen. (dus de eerste twee niet.)

Art. 16
De scheidsrechter.

Er is geen beroep tegen de beslissing van de scheidsrechter aangaande de feiten van de wedstrijd. Het gezag van de scheidsrechter geldt eveneens bij fouten en overtredingen, begaan wanneer het spel stil ligt zowel als gedurende de pauze.
Een speler die zich slecht gedraagt vóór de wedstrijd, wordt niet toegelaten tot de wedstrijd.
In dat geval mag hij door een andere speler worden vervangen.

De scheidsrechter zal vanaf het begin van de wedstrijd elk ruw spel onderdrukken om zich te verzekeren dat de wedstrijd in goede banen wordt geleid. Hij zal de regels niet te letterlijk toepassen als dit ten voordele van de overtredende partij is (eigen-voordeel regel.)

De scheidsrechter kan misverstanden gedurende de wedstrijd voorkomen door tekens of andere duidelijke aanwijzingen te geven, een speler te waarschuwen die neigt naar gevaarlijk spel of onaangenaam gedrag door middel van een korte doch vastbesloten vermaning. Wanneer de omstandigheden het vereisen kan hij de officials vragen suppoopsten aan te wijzen die de boarding vrij houden van toeschouwers.

De scheidsrechter zal spelers, leiders of journalisten die beleefd om informatie of uitleg vragen niet afsnauwen.

De scheidsrechter zal geen pijnlijke vragen beantwoorden of zich in discussie mengen.

Hij zal zijn mening niet aan de spelers meedelen, of spreken over de kansen van het team.

Hij zal geen kritiek leveren op zijn medeschedsrechters.

Het tenue van de scheidsrechter moet te onderscheiden zijn van dat van de spelers. Bij meer scheidsrechters dragen deze hetzelfde tenue.

Per wedstrijd levert elk team 1 scheidsrechter.

Art. 17
Doelrechters.
Behalve de scheidsrechter behoren twee doelrechters op te treden.
De taak van de doelrechter is op het doel te letten en doelpunten vast te stellen. Indien noodzakelijk kan de doelrechter de scheidsrechter bijstaan in het bijhouden van de tijd.
Het systeem van twee scheidsrechters kan de doelrechters vervangen.
de doelrechter moet zich achter de boarding bevinden.